In het hoofdlijnenakkoord doet het kabinet de belofte dat er fors bezuinigd moet worden op ambtenaren. Ik verwacht weinig van dit kabinet, of beter gezegd: helemaal niets. En dus verwacht ik ook geen grootschalige ruimingen in ambtenaarsland. Maar toch doet deze belofte iets met me. Ik ben namelijk zo’n ambtenaar.
Voel ik me dan aangesproken? Of ben ik bang voor mijn eigen baan? Dat zeker niet. Bang voor de banen van mijn collega’s? Dat al helemaal niet. Minstens 3 op de 10 medewerkers binnen mijn organisatie ben ik liever kwijt dan rijk. Heb je geen zak aan, zijn driekwart ofwel volledig incompetent. In mijn ogen is de helft van dit soort mensen aangenomen voor de bühne. Denk aan de: veranderkundigen, agile coaches en kwartiermakers. Enkel en alleen zodat de organisatie kan zeggen: ‘Kijk, minister, we hebben dit jaar een x aantal van deze experts aangenomen”.
Ik kwam er laatst achter dat de term kwartiermaker uit het leger komt. Een kwartiermaker was verantwoordelijk voor het voorbereiden van het kamp voordat de troepen arriveerden. Een belangrijke taak dus. Hadden de kwartiermakers die ik in de jaren voorbij heb zien komen maar een militaire sollicitatieprocedure gehad, dan hadden al die hervormingen en reorganisaties waarschijnlijk meer succes gehad. Nu ik er zo over nadenk lijkt me dat een interessant experiment. Om alle kwartiermakers die in het laatste jaar binnen de overheid zijn gestart een kamp te laten opzetten. Ik zie een vuurproef voor me, zoals bij expeditie Robinson. Iedereen naar afvallerseiland. Missie geslaagd.
Naast de voor-de-buhne-collega’s zijn er de collega’s die ook vanwege hun incompetentie geëlimineerd mogen worden, maar vooral vanwege hun totale omarming van het stereotype ambtenaar. Zodra ze hun eerste kop koffie uit de Douwe Egberts machine hebben gehaald en hun bureaustoel ergonomisch hebben ingesteld, begint het achterover leunen. Ik ben er dan ook voor om de inwerkperiode voortaan ‘inlees-, inzit-, of in-irritatie-periode te noemen, want van werken is geen sprake.
Nu zal ik geen heilig boontje spelen. Ook ik maak me schuldig aan stereotype-ambtenaren-praktijken. Hierbij biecht ik op: Ik werk 36 uur in de week, op papier. Hoeveel dat daadwerkelijk is, weet niemand. Mijn laptop gaat nooit later dicht dan 18:00 uur en in weekenden werken vertik ik. Heb je me daarna nodig? Kansloos. Bellen heeft geen zin, mijn werktelefoon raak ik niet aan. Iets met belangst (ik, millenial). Ik volg een opleiding, waar mijn werkgever voor betaald maar niet zoveel aan heeft. Ze hebben ook mijn nieuwe fiets betaald, waar ik op die ene kantoordag in de week mee naar het station fiets. Ik ben begin 30 en heb al twee keer een sabbatical genomen om te kunnen reizen. Ook koop ik mijn vakantiedagen standaard maximaal bij. Dit alles schrijf ik weg onder de noemer ‘werkgeluk’, wat de organisatie hoog in het vaandel heeft staan. Mijn werkgeluk zou alleen net nog een beetje groter zijn, als de gemiddelde collega waarmee ik samenwerk kwaliteiten heeft die verder gaan dan het communiceren over verslagen, hiervan verslag leggen en verder doorcommuniceren.
Fors bezuinigen op ambtenaren lijkt me dus wel wat. Kwaliteit mag weer boven kwantiteit komen te staan. Ik hoop dat de veranderkundigen het hiermee eens zijn.

Geef een reactie