De ondertitel van de omstanderstraining is: wat kun jij doen om discriminatie te bestrijden?
Daar ga ik, zonder al teveel verwachtingen maar met het idee dat ik iets ‘goeds’ ging doen. Een beetje datzelfde gevoel wat je ervaart wanneer je aan een goed doel doneert. Hieruit blijkt ook wel dat ik enige afstand voel tot discriminatie. Zoals ik in de vorige column schreef, alsof het niet over mij maar over anderen gaat. Dat gevoel helpt natuurlijk niet in de strijd, dus ik hoop dat deze training mij dichterbij het onderwerp zal brengen.
De zaal is opgesteld in een U-vorm zonder tafels en dat betekent meestal een interactieve bijeenkomst. De groep bestaat uit zo’n 30 rijksambtenaren, werkend bij ministeries of andere overheidsinstanties. Mensen die stuk voor stuk een eed hebben afgelegd waarin zij beloven niet te discrimineren. In januari kreeg ik nog een brief op de mat waarin stond dat er een nieuwe ambtseed is. Deze is aangepast om extra te benadrukken dat rijksambtenaren werken in het algemeen belang van de samenleving en dat we in ons werk met iedereen omgaan op basis van rechtvaardigheid, gelijkwaardigheid en respect. Ik vraag me af voor wie dit nog niet duidelijk was maar hey, de kracht van herhaling kan geen kwaad.
We starten met een rondje verwachtingen. Ik trap af met de wens om tips te krijgen. Anderen evolueren dit tot ‘praktische handvatten’ en na een aantal deelnemers sluit iedereen, uit gemak of gebrek aan creativiteit, aan bij hun voorgangers. Tot een van de laatste deelnemers, een witte man van middelbare leeftijd. Ik noem hem Henk (fictieve naam, die perfect binnen het stereotype ambtenaar past. Henk wil graag weten hoe hij, in een tijd waarin alles gevoelig ligt, nog humor kan gebruiken. Mijn wenkbrauwen fronsen en mijn ogen willen naar achter rollen. Mijn lippen op elkaar persend weet ik iets onaardigs in te slikken. Henk is vast de grappenmaker van de bingoclub. Kan iemand hem vertellen dat hij waarschijnlijk alles behalve grappig is? En dat humor in deze context alleen bijdraagt aan ontkenning en vermijding van de realiteit? Ik hoop stiekem dat Henk een grap probeert te maken zodat een doodse stilte hem dit besef bijbrengt, maar een van de trainers reageert professioneel-vriendelijk dat dit vast ook aan bod komt tijdens de training.
We gaan vervolgens aan de slag met een identiteitswiel en leren wat discriminatie wel en niet is. Ik leer wat micro-agressie is en besef hoe vaak ik dit soort opmerkingen nog steeds hoor. Hoe goed of “grappig” ze ook bedoeld zijn, hier moeten we mee stoppen. (kijktip: How microaggressions are like mosquito bites)
Er zijn grofweg 3 strategieën om met discriminatie om te gaan: niets doen, iemand aanspreken in de groep (calling out), of iemand apart nemen (calling in). We oefenen met de laatste twee. Mijn oefenbuddy is een krachtige vrouw van mijn leeftijd. Al snel merk ik dat we (van nature) een andere aanpak hebben. Waar ik wat stuntel met de tips van de trainers (‘dat is discriminerend en dat doen we hier niet’) schreeuwt zij: ‘ANDER BIJVOEGELIJK NAAMWOORD!’ als ik tijdens het rollenspel iemand een homo-collega noem. Best effectief, als je het mij vraagt. Al met al blijft het wat braaf, het oefenen verzand in een gezellig gesprek en helaas blijft een plenaire nabespreking van de casussen achterwege. Een gemiste kans in ambtenarenland. Ook daar zijn helaas veel voorbeelden van.
Ik ben benieuwd of Henk nog ongepaste grappen heeft gemaakt. Ik hoorde in ieder geval niemand lachen, maar dat zegt natuurlijk niks. Of misschien juist wel. Op het eind vertelt de trainster dat de oefencasussen échte voorbeelden zijn. Situaties die op de werkvloer hebben afgespeeld, ook bij overheidsorganisatie. Het ongeloof straalt uit ieders ogen. Dit is dus de realiteit. Weg van de papieren werkelijkheid die in ambtseed is vastgelegd en waar wij allen in de zaal onze geloften op hebben uitgesproken. Moge het duidelijk zijn: als het gaat om discriminatie valt er echt niets te lachen.
Kun je zeggen dat je tegen discriminatie bent als je nooit ingrijpt op momenten dat het plaatsvindt?

Geef een reactie